Test your level

40

A1 Test

Would you like t know your current Dutch language level? Push the button below. You’ll receive feedback ( free of charge) on the result and an advisory suggestion about wich language level suits you best.

1 / 27

Kies ´de´ of ´het´

(  ) huis (  ) cursus (  ) werk

2 / 27

Kies ´de´ of ´het´

(  ) jaar (  ) liedje (  ) gezin

3 / 27

Kies ´de´ of ´het´

(  ) jongen (  ) boek (  ) stoelen

4 / 27

Kies ´de´ of ´het´

(  ) dag (  ) uur (  ) week

5 / 27

Kies ´de´ of ´het´

(  ) familie (  ) broertje (  ) nummer

6 / 27

Maak een goede zin:

'in wonen Nederland wij'

7 / 27

Maak een goede zin:

'jouw hoe zus heet?'

8 / 27

Maak een goede zin

'tijd nu zij geen hebben'

9 / 27

Zet de adjectieven in de juiste vorm

Dit schrift is nieuw. Een (  ) schrift.

10 / 27

Zet de adjectieven in de juiste vorm

Deze dag is zonnig. Een (  ) dag.

11 / 27

Zet de adjectieven in de juiste vorm

Alle mensen zijn aardig en vrolijk. Het zijn allemaal (  ) mensen.

12 / 27

Positief-comparatief- superlatief

Een kat is klein dier;

Een muis is ( ); een vlieg is het ( )

13 / 27

Positief-comparatief- superlatief (6 punten totaal, 2 per correct antwoord)

  Veel tijd; ( ) tijd; ( ) tijd

14 / 27

Positief-comparatief- superlatief

Goed gewerkt!

( ) gewerkt!; (Het....) gewerkt!

15 / 27

Kies niet of geen

Jullie hebben ( ) auto

16 / 27

Kies niet of geen 

Wij zijn toch (    ) gekomen

17 / 27

 Kies  niet of geen 

Het is (   ) zo’n  mooi weer.

18 / 27

Meervoud maken: boek-boek (en)

 Adres-adres (   )

19 / 27

Meervoud maken: boek-boek (en)

kamer (  )

20 / 27

Meervoud maken:

baas  (  )

21 / 27

Meervoud maken

boodschap- boodschap(  ) 

22 / 27

Meervoud maken

drankje( )

23 / 27

Verhaaltje met vragen

“vreemde verrassing”
“Dit is het moment om even in de stad naar de supermarkt te gaan. Ik zet wat later mijn fiets tegen de muur van de winkel en ga naar binnen.
Na een kwartiertje ben ik klaar met de boodschappen en wil ze in mijn fietstassen zetten. Dan zie ik dat de tassen een beetje oud zijn en dat de kleur wat anders is. Ik ga op de fiets zitten……dit is heel raar!
Dit is helemaal niet mijn eigen fiets, begrijp ik ineens. Iemand anders heeft nu mijn fiets en ik heb nu die van een andere persoon. Wat moet ik doen?”

 Wanneer gebeurt dit?

24 / 27

Verhaaltje met vragen

“vreemde verrassing”
“Dit is het moment om even in de stad naar de supermarkt te gaan. Ik zet wat later mijn fiets tegen de muur van de winkel en ga naar binnen.
Na een kwartiertje ben ik klaar met de boodschappen en wil ze in mijn fietstassen zetten. Dan zie ik dat de tassen een beetje oud zijn en dat de kleur wat anders is. Ik ga op de fiets zitten……dit is heel raar!
Dit is helemaal niet mijn eigen fiets, begrijp ik ineens. Iemand anders heeft nu mijn fiets en ik heb nu die van een andere persoon. Wat moet ik doen?”

Waar staat de fiets?

25 / 27

Verhaaltje met vragen

“vreemde verrassing”
“Dit is het moment om even in de stad naar de supermarkt te gaan. Ik zet wat later mijn fiets tegen de muur van de winkel en ga naar binnen.
Na een kwartiertje ben ik klaar met de boodschappen en wil ze in mijn fietstassen zetten. Dan zie ik dat de tassen een beetje oud zijn en dat de kleur wat anders is. Ik ga op de fiets zitten……dit is heel raar!
Dit is helemaal niet mijn eigen fiets, begrijp ik ineens. Iemand anders heeft nu mijn fiets en ik heb nu die van een andere persoon. Wat moet ik doen?”

Wat is er met de tassen?

26 / 27

Verhaaltje met vragen

“vreemde verrassing”
“Dit is het moment om even in de stad naar de supermarkt te gaan. Ik zet wat later mijn fiets tegen de muur van de winkel en ga naar binnen.
Na een kwartiertje ben ik klaar met de boodschappen en wil ze in mijn fietstassen zetten. Dan zie ik dat de tassen een beetje oud zijn en dat de kleur wat anders is. Ik ga op de fiets zitten……dit is heel raar!
Dit is helemaal niet mijn eigen fiets, begrijp ik ineens. Iemand anders heeft nu mijn fiets en ik heb nu die van een andere persoon. Wat moet ik doen?”

Hoe lang ben ik in de winkel?

27 / 27

Verhaaltje met vragen

“vreemde verrassing”
“Dit is het moment om even in de stad naar de supermarkt te gaan. Ik zet wat later mijn fiets tegen de muur van de winkel en ga naar binnen.
Na een kwartiertje ben ik klaar met de boodschappen en wil ze in mijn fietstassen zetten. Dan zie ik dat de tassen een beetje oud zijn en dat de kleur wat anders is. Ik ga op de fiets zitten……dit is heel raar!
Dit is helemaal niet mijn eigen fiets, begrijp ik ineens. Iemand anders heeft nu mijn fiets en ik heb nu die van een andere persoon. Wat moet ik doen?”

Wat is er gebeurd?

Your score is

19

A2 Test

Would you like t know your current Dutch language level? Push the button below. You’ll receive feedback ( free of charge) on the result and an advisory suggestion about wich language level suits you best.

1 / 25

Vul in:

 ´hebben´ of ´zijn´ en ´beginnen´

De scholen (   ) al weer (   ).     

2 / 25

Vul in:

‘hebben’ of ‘zijn’  en ‘betalen’

 Onze vriend (     ) alles voor ons (     ). 

3 / 25

Vul in:

‘hebben’ of ‘zijn’ + ‘wonen’ 

 Deze mensen ( ) hier altijd ( ).  

4 / 25

 Vul in:

‘hebben’ of ‘zijn’ + ‘lopen’

De wandelaars ( ) van hun huis naar de zee ( ).  

5 / 25

Vul in:

‘hebben’ of ‘zijn’  + ‘zien’

Onderweg ( ) ze veel vogels ( ).

6 / 25

Vul in:

‘hebben” of ‘zijn’  +  ‘zijn‘

Het (     ) een heerlijke dag (     ).

7 / 25

Vul de juiste vorm in:

 'werken'

Rosa-Maria (   ) gisteren tot half 10.  

8 / 25

Vul de juiste vorm in:

'mogen'

Vroeger (   ) de kinderen hier buiten spelen. 

9 / 25

Vul de juiste vorm in:

 'slapen' 

Ze ( ) daar toen maar een nacht.

10 / 25

Vul de juiste vorm in:

'beginnen'

Het feest ( ) om 20.00 uur. 

11 / 25

Vul de juiste vorm in:

'zijn' 

Iedereen ( ) al daar.

12 / 25

Vul de juiste vorm in:

'kennen' 

We (   ) bijna iedereen op het feest.

13 / 25

Maak de zin af:

Zij gaat naar de stad en ( ).

14 / 25

Maak de zin af:

Jij moet nu komen, want (   ).

15 / 25

Maak de zin af:

Drinkt U koffie of (  )?

16 / 25

Maak de zin af:

Hans helpt ons het meeste, als ( ).

17 / 25

Maak de zinnen af ( 6x2 punten)

 Deze mensen eten al lekker, terwijl wij ( )

18 / 25

Maak de zin af:

Marie was 12 jaar, toen ( ).

19 / 25

Vul in:

‘Het’ of ‘er’ 

( ) kost veel tijd, om te studeren;
( ) is geen twijfel;
We hebben ( ) gezien;
( ) moet vandaag iets gebeuren.

20 / 25

Beloof iets! Gebruik deze woorden:

  'morgen; wij; helpen; zullen'

21 / 25

Beloof iets! Gebruik deze woorden:

 'doen; ik; boodschappen; zullen'

22 / 25

Beloof iets!  Gebruik deze woorden:

'zullen; ik; koken; morgen'

23 / 25

Welke zin is correct?

24 / 25

Welke zin is correct?

  

25 / 25

Welke zin is correct?

Your score is