Course Details

Last Update:

April 6, 2022

Review:
0(0)

About Course

In this course you’ll be introduced to the underlaying basics of the Dutch language. You’ll get to know more about the principles of the grammar, pronunciation and vocabulary. On your learning path we offer you Dutch in a comprehensive way and with an abundance of actual use: you soon will discover that you can implement instantly what’s presented to you during the course. You make a learning-practice by employment in a literal manner.

We will start right away with conversating and hold on to it, because both listening and speaking are in the centre of the OnlineLingoAcademy approach.

You rehearse and explore while you speak and will improve your skills with ease and joy.

Your teacher will know you as a course-member on an individual learning path: we will guide you to whatever in Dutch you desire to achieve.

Duration

This is a 7,5 weeks-course with 2 lessons of 2 hours every week. Total hours: 30

The lessons in a small group are limited to 8 course members, on Monday and Friday

Nominal time-investment

At least 30 hours of studying time is recommended for rehearsing, training, conversations and general homework.

Test your level

41

A1 Test

Would you like t know your current Dutch language level? Push the button below. You’ll receive feedback ( free of charge) on the result and an advisory suggestion about wich language level suits you best.

1 / 27

Kies ´de´ of ´het´

(  ) huis (  ) cursus (  ) werk

2 / 27

Kies ´de´ of ´het´

(  ) jaar (  ) liedje (  ) gezin

3 / 27

Kies ´de´ of ´het´

(  ) jongen (  ) boek (  ) stoelen

4 / 27

Kies ´de´ of ´het´

(  ) dag (  ) uur (  ) week

5 / 27

Kies ´de´ of ´het´

(  ) familie (  ) broertje (  ) nummer

6 / 27

Maak een goede zin:

'in wonen Nederland wij'

7 / 27

Maak een goede zin:

'jouw hoe zus heet?'

8 / 27

Maak een goede zin

'tijd nu zij geen hebben'

9 / 27

Zet de adjectieven in de juiste vorm

Dit schrift is nieuw. Een (  ) schrift.

10 / 27

Zet de adjectieven in de juiste vorm

Deze dag is zonnig. Een (  ) dag.

11 / 27

Zet de adjectieven in de juiste vorm

Alle mensen zijn aardig en vrolijk. Het zijn allemaal (  ) mensen.

12 / 27

Positief-comparatief- superlatief

Een kat is klein dier;

Een muis is ( ); een vlieg is het ( )

13 / 27

Positief-comparatief- superlatief (6 punten totaal, 2 per correct antwoord)

  Veel tijd; ( ) tijd; ( ) tijd

14 / 27

Positief-comparatief- superlatief

Goed gewerkt!

( ) gewerkt!; (Het....) gewerkt!

15 / 27

Kies niet of geen

Jullie hebben ( ) auto

16 / 27

Kies niet of geen 

Wij zijn toch (    ) gekomen

17 / 27

 Kies  niet of geen 

Het is (   ) zo’n  mooi weer.

18 / 27

Meervoud maken: boek-boek (en)

 Adres-adres (   )

19 / 27

Meervoud maken: boek-boek (en)

kamer (  )

20 / 27

Meervoud maken:

baas  (  )

21 / 27

Meervoud maken

boodschap- boodschap(  ) 

22 / 27

Meervoud maken

drankje( )

23 / 27

Verhaaltje met vragen

“vreemde verrassing”
“Dit is het moment om even in de stad naar de supermarkt te gaan. Ik zet wat later mijn fiets tegen de muur van de winkel en ga naar binnen.
Na een kwartiertje ben ik klaar met de boodschappen en wil ze in mijn fietstassen zetten. Dan zie ik dat de tassen een beetje oud zijn en dat de kleur wat anders is. Ik ga op de fiets zitten……dit is heel raar!
Dit is helemaal niet mijn eigen fiets, begrijp ik ineens. Iemand anders heeft nu mijn fiets en ik heb nu die van een andere persoon. Wat moet ik doen?”

 Wanneer gebeurt dit?

24 / 27

Verhaaltje met vragen

“vreemde verrassing”
“Dit is het moment om even in de stad naar de supermarkt te gaan. Ik zet wat later mijn fiets tegen de muur van de winkel en ga naar binnen.
Na een kwartiertje ben ik klaar met de boodschappen en wil ze in mijn fietstassen zetten. Dan zie ik dat de tassen een beetje oud zijn en dat de kleur wat anders is. Ik ga op de fiets zitten……dit is heel raar!
Dit is helemaal niet mijn eigen fiets, begrijp ik ineens. Iemand anders heeft nu mijn fiets en ik heb nu die van een andere persoon. Wat moet ik doen?”

Waar staat de fiets?

25 / 27

Verhaaltje met vragen

“vreemde verrassing”
“Dit is het moment om even in de stad naar de supermarkt te gaan. Ik zet wat later mijn fiets tegen de muur van de winkel en ga naar binnen.
Na een kwartiertje ben ik klaar met de boodschappen en wil ze in mijn fietstassen zetten. Dan zie ik dat de tassen een beetje oud zijn en dat de kleur wat anders is. Ik ga op de fiets zitten……dit is heel raar!
Dit is helemaal niet mijn eigen fiets, begrijp ik ineens. Iemand anders heeft nu mijn fiets en ik heb nu die van een andere persoon. Wat moet ik doen?”

Wat is er met de tassen?

26 / 27

Verhaaltje met vragen

“vreemde verrassing”
“Dit is het moment om even in de stad naar de supermarkt te gaan. Ik zet wat later mijn fiets tegen de muur van de winkel en ga naar binnen.
Na een kwartiertje ben ik klaar met de boodschappen en wil ze in mijn fietstassen zetten. Dan zie ik dat de tassen een beetje oud zijn en dat de kleur wat anders is. Ik ga op de fiets zitten……dit is heel raar!
Dit is helemaal niet mijn eigen fiets, begrijp ik ineens. Iemand anders heeft nu mijn fiets en ik heb nu die van een andere persoon. Wat moet ik doen?”

Hoe lang ben ik in de winkel?

27 / 27

Verhaaltje met vragen

“vreemde verrassing”
“Dit is het moment om even in de stad naar de supermarkt te gaan. Ik zet wat later mijn fiets tegen de muur van de winkel en ga naar binnen.
Na een kwartiertje ben ik klaar met de boodschappen en wil ze in mijn fietstassen zetten. Dan zie ik dat de tassen een beetje oud zijn en dat de kleur wat anders is. Ik ga op de fiets zitten……dit is heel raar!
Dit is helemaal niet mijn eigen fiets, begrijp ik ineens. Iemand anders heeft nu mijn fiets en ik heb nu die van een andere persoon. Wat moet ik doen?”

Wat is er gebeurd?

Your score is

Show More

What Will You Learn?

  • Spell your name.
  • The days of the week.
  • Propose things to someone.
  • Count up to 100.
  • Order and pay.
  • Read and use a recipe.
  • Describe a person.
  • Congratulate someone.
  • Ask how somebody feels.
  • Tell the time.
  • Express your personal mood.
  • Go shopping and ask about products.
  • Speak about food.
  • Use the names of the colours.
  • Compare things and goods.
  • Describe and buy things.
  • Tell about your home and house.
  • Use the modal verbs properly.
490.00
  • Teacher
    Raphael Vossen
  • Language
    English/Dutch

Payment :

img

Textbook not included

  • Book: “Nederlands In Gang A0-A2” - ISBN: 9 789046 905609