8

B1 test

Would you like t know your current Dutch language level? Push the button below. You’ll receive feedback ( free of charge) on the result and an advisory suggestion about wich language level suits you best.

1 / 48

Maak de zin af:

                                                                                                          In dit cafe (   ).  

2 / 48

Maak de zin af:

  Bijna altijd ( ).

3 / 48

Maak de zin af:

  Misschien (  ). 

4 / 48

Maak de zin af:

Iedere zondag ( ).

5 / 48

Maak de zin af:

Jou (  ). 

6 / 48

Maak de zin af:

 Hij wilde dokter worden, toen ( ). 

7 / 48

Maak de zin af:

 We praten samen, terwijl ( ).

8 / 48

Maak de zin af:

Jij doet de deur dicht, omdat (  ).

9 / 48

Maak de zin af:

Maria komt niet naar de les, want (   ).

10 / 48

Maak de zin af:

 We praten meestal voordat (  ). 

11 / 48

Maak de zin af:

We gaan toch sporten,  hoewel (   ).  

12 / 48

Maak de zin af:

De buren kunnen ons altijd roepen, als ( ).   

13 / 48

Maak de zin af:

Je moet op tijd opstaan, zodat ( ). 

14 / 48

Maak de zin af:

De hond kwam, zodra (   ).

15 / 48

Welke conjunctie is niet goed?

Zij horen van de eigenaar, (   )   de winkel is gesloten.

16 / 48

Welke conjunctie is niet goed?

 De mensen weten echt wel, ( ) zij moeten zeggen.

17 / 48

Welke conjunctie is niet goed?

 De winkelier zegt, ( ) de reparatie kost.

18 / 48

Welke conjunctie is niet goed?

 Soms weet ik niet, ( ) hij bedoelt.

19 / 48

Welke conjunctie is niet goed?

Hij vraagt ons ( ) we een afspraak hebben.

20 / 48

Welke conjunctie is niet goed?

Het is onduidelijk ( )  hij dat heeft gedaan.

21 / 48

Welke conjunctie is niet goed?

De docent zegt ( ) boeken we gebruiken.

22 / 48

Welke conjunctie is niet goed?

  De toerist vraagt ( ) het museum is gesloten.

23 / 48

Wens uitdrukken of beleefd spreken:

Gebruik “zullen”

Eva /graag / willen / zullen / diepzeeduiken.

24 / 48

Wens uitdrukken of beleefd spreken:

Gebruik “zullen”

U/ mij/ helpen/ zullen/ even /kunnen

25 / 48

Wens uitdrukken of beleefd spreken

Gebruik “zullen”

zullen/ wat/doen/  voor je/wij / mogen

26 / 48

Pas dit scheidbare werkwoord in de volgende zin toe

Vul in en gebruik vormen van aandoen+ de jas

Nu jij (   ).

27 / 48

Pas dit scheidbare werkwoord in de volgende zin toe

Vul in en gebruik vormen van aandoen+ de jas

Toen jij  ( ).

28 / 48

Pas dit scheidbare werkwoord in de volgende zin toe

Vul in en gebruik vormen van aandoen+ de jas

Jij (   ).

29 / 48

Pas dit scheidbare werkwoord in de volgende zin toe

Vul in en gebruik vormen van aandoen+ de jas

Jij wil (    ).

30 / 48

Pas dit scheidbare werkwoord in de volgende zin toe

Vul in en gebruik vormen van aandoen+ de jas

Jij staat op ( ).

31 / 48

Pas dit scheidbare werkwoord in de volgende zin toe

Vul in en gebruik vormen van aandoen+ de jas

Ik zie, dat jij ( ).

32 / 48

Pas dit scheidbare werkwoord in de volgende zin toe

Vul in en gebruik vormen van aandoen+ de jas. Maak de zin imperatief!

  

33 / 48

Vervang het dikgedrukte in de zin met 'er':

 Zij waren nog nooit in Maastricht geweest. (    ).

34 / 48

Vervang het dikgedrukte in de zin met 'er'

  Jan heeft geen spijt van zijn keuze.  (   ).

35 / 48

Vervang het dikgedrukte in de zin met 'er'

 We vertrouwen op een goede afloop. (  ).

36 / 48

Vervang het dikgedrukte in de zin met 'er'

Heeft zij veel planten?  (   ).

37 / 48

 Vervang het dikgedrukte in de zin met 'er'

Was niemand thuis? (   ).

38 / 48

Vervang het dikgedrukte in de zin met 'er'

Dat hangt af van het weer. (   ).

39 / 48

 Vervang het dikgedrukte in de zin met 'er'

We zij op deze dingen voorbereid. (  ).

40 / 48

Maak de zin af:

Dit is het werk, ( ).

41 / 48

Maak de zin af:

 Dit is de bakkerij, ( ).

42 / 48

Maak de zin af:

Het is zijn dochter, ( ).

43 / 48

Maak de zin af:

Zij zoekt een baan, ( ).

44 / 48

Maak de zin af:

 Zij zoeken een auto, ( ).

45 / 48

Maak de zin af:

De klanten kopen nieuwe boeken.  De nieuwe boeken (   ).

46 / 48

Maak de zin af:

Deze klanten hebben nieuwe boeken gekocht. (    ).

47 / 48

Maak de zin af:

 Zij kochten nieuwe boeken. (     ).

48 / 48

Maak de zin af:

 Andere lezers hadden de boeken al gekocht. (     ).

Your score is

X