0

B1 test

Would you like t know your current Dutch language level? Push the button below. You’ll receive feedback ( free of charge) on the result and an advisory suggestion about wich language level suits you best.

1 / 48

Inversie en zinsbouw (5 punten)

 In dit cafe ( ).  ( gebruik: ‘je kunt ook eten’) 

2 / 48

Inversie en zinsbouw (5 punten)

  Bijna altijd ( ). ( gebruik: ‘ hij te laat komen’)

3 / 48

Inversie en zinsbouw (5 punten)

  Misschien ( ). ( gebruik: ‘jullie gelijk hebben’) 

4 / 48

Inversie en zinsbouw (5 punten)

Iedere zondag ( ). ( gebruik: ‘zij wandeling maken een’)

5 / 48

Inversie en zinsbouw (5 punten)

Jou ( ). ( gebruik: ‘ wij hebben lang niet gezien’)

6 / 48

Voegwoorden en zinsbouw ( 9 x 2 punten)

 Hij wilde dokter worden, toen ( ). ( gebruik : ‘hij / zijn/ 18 jaar’)

7 / 48

Voegwoorden en zinsbouw ( 9 x 2 punten)

 We praten samen, terwijl ( ). (gebruik: ‘naar de school /wij / lopen/ samen)

8 / 48

Voegwoorden en zinsbouw ( 9 x 2 punten)

Waarom doe je de deur dicht? ( omdat ). ( gebruik: ‘ koud/ zijn/ nu/ het’)

9 / 48

Voegwoorden en zinsbouw ( 9 x 2 punten)

Maria komt niet naar de les, ( want ). ( gebruik: ‘zij/ ziek / zijn’)

10 / 48

Voegwoorden en zinsbouw ( 9 x 2 punten)

 Wanneer leer je meestal? ( Voordat ). ( gebruik: ‘het eten/ koken/ wij’)

11 / 48

Voegwoorden en zinsbouw ( 9 x 2 punten)

We gaan toch sporten, ( hoewel ).  ( gebruik; ‘moe / zijn/ ik/ erg’)

12 / 48

Voegwoorden en zinsbouw ( 9 x 2 punten)

De buren kunnen ons altijd roepen, (als ).   ( gebruik: ‘ onze hulp /hebben/  zij / nodig’)

13 / 48

Voegwoorden en zinsbouw ( 9 x 2 punten)

Je moet op tijd opstaan, (zodat ). ( gebruik; ‘ op tijd/ jij/ zullen/ komen’)’

14 / 48

Voegwoorden en zinsbouw ( 9 x 2 punten)

De hond kwam, (zodra ). ( gebruik: ‘ hij / zien/ ons’)

15 / 48

Indirecte rede / gebruik: dat – of – wie- wat- hoeveel- welke- waarom - wanneer (8 x 2 punten)

Pas op: welke conjunctie is niet goed?

Zij horen van de eigenaar, ( )  (  ….de winkel is gesloten)

16 / 48

Indirecte rede / gebruik: dat – of – wie- wat- hoeveel- welke- waarom - wanneer (8 x 2 punten)

Pas op: welke conjunctie is niet goed?

 De mensen weten echt wel, ( ) (  ….zij moeten zeggen)

17 / 48

Indirecte rede / gebruik: dat – of – wie- wat- hoeveel- welke- waarom - wanneer (8 x 2 punten)

Pas op: welke conjunctie is niet goed?

 De winkelier zegt, ( ) ( ……de reparatie kost)

18 / 48

Indirecte rede / gebruik: dat – of – wie- wat- hoeveel- welke- waarom - wanneer (8 x 2 punten)

Pas op: welke conjunctie is niet goed?

 Soms weet ik niet, ( ) (…..hij bedoelt?)

19 / 48

Indirecte rede / gebruik: dat – of – wie- wat- hoeveel- welke- waarom - wanneer (8 x 2 punten)

Pas op: welke conjunctie is niet goed?

Hij vraagt ons, ( ) ( ….we een afspraak hebben)

20 / 48

Indirecte rede / gebruik: dat – of – wie- wat- hoeveel- welke- waarom - wanneer (8 x 2 punten)

Pas op: welke conjunctie is niet goed?

Het is onduidelijk, ( )  ( …..hij dat heeft gedaan)

21 / 48

Indirecte rede / gebruik: dat – of – wie- wat- hoeveel- welke- waarom - wanneer (8 x 2 punten)

Pas op: welke conjunctie is niet goed?

De docent, zegt ( ) (… boeken we gebruiken)

22 / 48

Indirecte rede / gebruik: dat – of – wie- wat- hoeveel- welke- waarom - wanneer (8 x 2 punten)

Pas op: welke conjunctie is niet goed?

  De toerist vraagt, ( ) (   …het museum is gesloten)

23 / 48

Hoe kun je een wens uitdrukken of beleefd spreken ? (3 x 3 punten)

Gebruik “zullen”.

(               ) ( Eva /graag / willen / zullen / diepzeeduiken

24 / 48

Hoe kun je een wens uitdrukken of beleefd spreken ? (3 x 3 punten)

Gebruik “zullen”.

 (             ?) ( U/ mij/ helpen/ zullen/ even /kunnen?)

25 / 48

Hoe kun je een wens uitdrukken of beleefd spreken ? (3 x 3 punten)

Gebruik “zullen”.

 (            ?)  ( zullen/ wat/doen/  voor je/wij / mogen

26 / 48

Pas dit scheidbare werkwoord in de volgende zinnen toe: (7 x 2 punten)

Vul in en gebruik vormen van aandoen+ de jas

 Presens / nu Jij (

27 / 48

Pas dit scheidbare werkwoord in de volgende zinnen toe: (7 x 2 punten)

Vul in en gebruik vormen van aandoen+ de jas

 imperfect/ toen Jij  ( )

28 / 48

Pas dit scheidbare werkwoord in de volgende zinnen toe: (7 x 2 punten)

Vul in en gebruik vormen van aandoen+ de jas

perfect Jij ( )

29 / 48

Pas dit scheidbare werkwoord in de volgende zinnen toe: (7 x 2 punten)

Vul in en gebruik vormen van aandoen+ de jas

+ modaal werkwoord.              Jij wil ( )

30 / 48

Pas dit scheidbare werkwoord in de volgende zinnen toe: (7 x 2 punten)

Vul in en gebruik vormen van aandoen+ de jas

+ “om te” Jij staat op,  ( )

31 / 48

Pas dit scheidbare werkwoord in de volgende zinnen toe: (7 x 2 punten)

Vul in en gebruik vormen van aandoen+ de jas

+ bijzin Ik zie, dat jij ( )

32 / 48

Pas dit scheidbare werkwoord in de volgende zinnen toe: (7 x 2 punten)

Vul in en gebruik vormen van aandoen+ de jas

 imperatief ! ! ( !)

33 / 48

Antwoord met ‘er’: vervang het onderstreepte ( 7 x 2 punten)

 Zij waren nog nooit in Maastricht geweest.  ( )

34 / 48

Antwoord met ‘er’: vervang het onderstreepte ( 7 x 2 punten)

  Jan heeft geen spijt van zijn keuze.  ( )

35 / 48

Antwoord met ‘er’: vervang het onderstreepte ( 7 x 2 punten)

 We vertrouwen op een goede afloop. ( )

36 / 48

Antwoord met ‘er’: vervang het onderstreepte ( 7 x 2 punten)

Heeft zij veel planten? ( )

37 / 48

Antwoord met ‘er’: vervang het onderstreepte ( 7 x 2 punten)

Was niemand thuis? ( )

38 / 48

Antwoord met ‘er’: vervang het onderstreepte ( 7 x 2 punten)

Dat hangt af van het weer. ( )

39 / 48

Antwoord met ‘er’: vervang het onderstreepte ( 7 x 2 punten)

We zij op deze dingen voorbereid. ( )

40 / 48

Geef extra informatie met een relatieve bijzin: (5 x 2 punten)

Dit is het werk, ( ) ( gebruik: ‘ik wilde dit werk altijd al doen ‘)

41 / 48

Geef extra informatie met een relatieve bijzin: (5 x 2 punten)

 Dit is de bakkerij, ( ) ( gebruik: ‘wij kopen in deze bakkerij ons brood’)

42 / 48

Geef extra informatie met een relatieve bijzin: (5 x 2 punten)

Het is zijn dochter, ( ) ( gebruik: ik zie hem met zijn dochter’)

43 / 48

Geef extra informatie met een relatieve bijzin: (5 x 2 punten)

Zij zoekt een baan, ( ) ( de baan levert genoeg geld op.)

44 / 48

Geef extra informatie met een relatieve bijzin: (5 x 2 punten)

 Zij zoeken een auto, ( ) ( zij kunnen met die auto op vakantie gaan)

45 / 48

Van actief naar passief:  ( 4 x 3 punten)

De klanten kopen nieuwe boeken ( De nieuwe boeken )

46 / 48

Van actief naar passief:  ( 4 x 3 punten)

Deze klanten hebben nieuwe boeken gekocht. ( )

47 / 48

Van actief naar passief:  ( 4 x 3 punten)

 Zij kochten nieuwe boeken ( )

48 / 48

Van actief naar passief:  ( 4 x 3 punten)

 Andere lezers hadden de boeken al gekocht ( )

X